Uitspraak
200606955/1; JV 2007/184) kunnen ingevolge artikel 1, eerste lid, onderdeel b, onder 1˚, van de Wav, meerdere personen dezelfde vreemdelingen dezelfde arbeid laten verrichten en derhalve ieder voor zich worden aangemerkt als werkgever en kan voorts, ingevolge artikel 2, in samenhang met de artikelen 18 en 19a, eerste lid van deze wet, elk van hen een boete worden opgelegd, ingeval geen van hen voor deze arbeid over een tewerkstellingsvergunning beschikt. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat zowel appellante als het schoonmaakbedrijf als werkgever in de zin van de Wav is aan te merken en dat de staatssecretaris bevoegd was een boete op te leggen. Zij is, anders dan appellante stelt, niet ongemotiveerd aan haar betoog terzake voorbijgegaan.
200509111/1; AB 2006,133) is het de eigen verantwoordelijkheid van een werkgever in het kader van de Wav om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of de voorschriften van die wet worden nageleefd. Uit het door inspecteurs van de Arbeidsinspectie op ambtseed opgemaakte boeterapport van 13 april 2005 en de daarbij behorende verklaringen van de vreemdelingen en van de filiaalhouder blijkt dat appellante bij aanvang van de werkzaamheden de identiteit van de vreemdelingen in het geheel niet heeft gecontroleerd, hetgeen wel op haar weg had gelegen.
200602123/1; AB 2006, 391), gehouden. De rechtbank heeft, gezien het vorenstaande, terecht overwogen dat de staatssecretaris aan appellante de overtredingen mocht toerekenen en dat de door appellante aangevoerde omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat de staatssecretaris op grond daarvan van het opleggen van een boete had moeten afzien of de opgelegde boete had moeten matigen.