ECLI:NL:RVS:2014:4750
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen ondanks betwisting arbeidsverhouding
De minister legde appellante een boete van €16.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) omdat vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning arbeid verrichtten. Appellante maakte bezwaar en stelde dat de vreemdelingen zelfstandigen waren en dat de verklaringen onbetrouwbaar waren vanwege taalproblemen en het ontbreken van een tolk.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de minister terecht mocht uitgaan van de verklaringen van de vreemdelingen, die in het Turks waren afgelegd en door een inspecteur die deze taal machtig was. Er was geen aanleiding om een tolk in te schakelen. De latere verklaring van een vreemdeling die de Turkse taal niet machtig zou zijn, werd niet als betrouwbaar geaccepteerd.
Verder werd geoordeeld dat de vreemdelingen onder gezag van appellante werkten en dat appellante als werkgever in de zin van de Wav moest worden aangemerkt, ongeacht inschrijving bij de Kamer van Koophandel of het bezit van een VAR-verklaring. Ook het feit dat een vreemdeling vrijwillig en onbetaald werkte, deed niet af aan het werkgeverschap van appellante.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €16.000 wegens het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning.