ECLI:NL:RVS:2014:516
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep vreemdeling tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende aannemelijkheid risico genitale verminking dochter
De vreemdeling had bij de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, mede voor haar minderjarige dochter. Deze aanvraag werd op 1 februari 2012 afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris niet had beoordeeld of de dochter een reëel risico liep op genitale verminking bij terugkeer naar Nigeria. De Raad stelde vast dat de staatssecretaris deze vrees wel degelijk had beoordeeld, mede omdat de dochter te jong was om zelfstandig haar vrees aannemelijk te maken.
De Raad concludeerde dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er een reëel risico bestond op genitale verminking van haar dochter bij terugkeer. De Raad vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.