ECLI:NL:RVS:2014:55
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit wegens onterecht opgelegde boete voor stages Indonesische studenten
De minister legde aan [appellante] een boete op van €296.000 wegens overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat 37 Indonesische stagiairs reguliere werkzaamheden zouden hebben verricht zonder geldige tewerkstellingsvergunning. De rechtbank had de boete verminderd tot €285.500, maar verklaarde het beroep deels gegrond.
In hoger beroep stelde [appellante] dat de stagiairs wel degelijk voldeden aan de voorwaarden van de Wav en de bijbehorende uitvoeringsregels, en dat de CWI de tewerkstellingsvergunningen had verleend zonder de eis dat stagiairs om de twee maanden moesten rouleren tussen afdelingen. De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde dat het stageprogramma door de CWI was goedgekeurd en dat de minister ten onrechte de boete had opgelegd.
De Afdeling oordeelde ook dat de redelijke termijn was overschreden en veroordeelde de minister tot een immateriële schadevergoeding van €500 aan [appellante]. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De uitspraak van de rechtbank en het besluit van de minister werden vernietigd en het oorspronkelijke boetebesluit herroepen.
Uitkomst: Het boetebesluit wordt vernietigd en de minister wordt veroordeeld tot schadevergoeding en proceskostenvergoeding aan [appellante].