ECLI:NL:RVS:2014:591
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verzoek tot niet-uitzetting vreemdeling wegens medische omstandigheden
De minister voor Immigratie en Asiel wees op 12 oktober 2011 het verzoek van de vreemdeling af om zijn uitzetting niet door te zetten op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet Pro 2000. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 15 december 2011 werd afgewezen. De rechtbank stelde in een tussenuitspraak een zorgvuldigheidsgebrek vast en gaf de minister de gelegenheid dit te herstellen. Na aanvullend advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) oordeelde de rechtbank op 30 oktober 2013 dat het bezwaar gegrond was en vernietigde het besluit.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat het BMA-advies wel degelijk het zorgvuldigheidsgebrek had hersteld, met name dat het BMA had gemotiveerd waarom de effectiviteit van de behandeling in het land van herkomst niet kon worden uitgesloten, ondanks de psychische klachten van de vreemdeling. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het advies onvoldoende was, omdat het BMA zich beperkte tot medisch objectieve feiten en geen subjectieve gevoelens van onveiligheid kon beoordelen.
De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door voorzitter Lubberdink en leden Parkins-de Vin en Van der Wiel op 13 februari 2014.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot uitzetting blijft in stand.