ECLI:NL:RVS:2014:742
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling bestuurlijke boete wegens verhuur zonder huisvestingsvergunning in Rotterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam legde aan appellant een bestuurlijke boete van €16.000 op wegens het in gebruik geven van woonruimte aan een persoon zonder huisvestingsvergunning. Appellant maakte bezwaar en de rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep gegrond, stelde de boete vast op €8.000 en vernietigde het eerdere besluit. Appellant ging in hoger beroep tegen de vaststelling van de boete.
De Raad van State oordeelde dat appellant niet tijdig en op de juiste wijze was uitgenodigd voor de zitting bij de rechtbank, waardoor hij zijn standpunten niet kon toelichten. Dit vormde een schending van het recht op hoor en wederhoor, waardoor het hoger beroep gegrond werd verklaard en het vonnis van de rechtbank werd vernietigd voor zover het de boete betrof.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vervolgens zelf de boete vast op €8.000, omdat uit de inspectie bleek dat appellant de woning verhuurde aan een persoon zonder huisvestingsvergunning, ondanks dat deze persoon al jaren inwonend was en als hoofdbewoner stond ingeschreven. De boete werd niet gematigd omdat de door appellant aangevoerde bijzondere omstandigheden onvoldoende waren onderbouwd. De uitspraak trad in de plaats van het vernietigde besluit en appellant kreeg het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: De bestuurlijke boete wordt vastgesteld op €8.000 en het hoger beroep wordt gegrond verklaard.