ECLI:NL:RVS:2014:847
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- E. Steendijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling geloofwaardigheid overgang binnen christelijke stromingen bij asielaanvraag
De vreemdeling vroeg om een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar de staatssecretaris ging in hoger beroep.
De kern van het geschil betrof de beoordeling van de geloofwaardigheid van de overgang van de vreemdeling van het orthodox-christelijke geloof naar de pinksterbeweging. De rechtbank had geoordeeld dat deze overgang niet als bekering kon worden aangemerkt en dat de staatssecretaris een onjuist beoordelingskader had gehanteerd.
De Raad van State stelde dat de vaste gedragslijn van de staatssecretaris, die geen onderscheid maakt tussen overgang binnen het christendom en overgang tussen verschillende religies, juist is. De Raad oordeelde dat de staatssecretaris terecht aan de antwoorden van de vreemdeling op vragen over haar geloofsovertuiging gevolgen heeft verbonden voor de geloofwaardigheid.
Ook oordeelde de Raad dat de staatssecretaris terecht heeft vastgesteld dat de vreemdeling onvoldoende specifieke kennis over het wezen van de pinksterbeweging kon geven, hetgeen de geloofwaardigheid ondermijnt.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarmee het oorspronkelijke besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning in stand bleef.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt gehandhaafd.