ECLI:NL:RVS:2015:216
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging rechtsbijstand bij verzoek schuldsanering
De appellant verzocht de Raad voor Rechtsbijstand om een toevoeging voor rechtsbijstand in verband met een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling. De raad wees dit verzoek af op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) en artikel 7 van Pro het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (Brt), waarin is bepaald dat voor rechtsbijstand bij het treffen van een afbetalingsregeling geen toevoeging wordt verleend.
De rechtbank vernietigde het besluit van de raad wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het verzoek tot schuldsanering volgens vaste rechtspraak wordt aangemerkt als een verzoek tot het treffen van een afbetalingsregeling. De appellant stelde dat zijn aanvraag niet zag op het verzoek zelf, maar op rechtsbijstand bij een juridische verwikkeling tijdens de behandeling van het verzoek, en dat de rechtbank dit ten onrechte niet had onderkend.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de kwestie integraal onderdeel uitmaakt van de behandeling van het verzoek tot schuldsanering en daarmee onder de reikwijdte van artikel 7 van Pro het Brt valt, dat een imperatief karakter heeft. Het beleid van de raad om in sommige gevallen toch een toevoeging te verlenen leidt niet tot een ander oordeel in deze zaak.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de toevoeging bevestigd.