ECLI:NL:RVS:2015:3323
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in hoger beroep verblijfsvergunning regulier
De vreemdeling had een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die door de minister op 8 maart 2012 werd afgewezen. De staatssecretaris verklaarde het bezwaar tegen deze afwijzing op 30 januari 2014 opnieuw ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 6 augustus 2014 gegrond en vernietigde het besluit, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand bleven. De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.
De Raad van State heeft het hoger beroep aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen die door het Hof van Justitie beantwoord moeten worden. De vreemdeling vroeg om te worden beschermd tegen uitzetting en om gedurende het hoger beroep behandeld te worden alsof zij een verblijfsvergunning had. De voorzieningenrechter oordeelde dat de afwijzing van de aanvraag tijdens de procedure geen spoedeisend belang oplevert omdat niet duidelijk is of en wanneer uitzetting zal plaatsvinden.
Ook het verzoek om opvang en verstrekkingen gedurende het hoger beroep werd afgewezen, omdat dit niet aan de orde is in een procedure over een verblijfsvergunning regulier, anders dan bij asielprocedures. Het verzoek werd derhalve als kennelijk ongegrond afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen en het hoger beroep aangehouden.