Uitspraak
[betrokkene 1]heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld in de zaak 12/6791 AKW hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 13 november 2012, 12/2162, waarbij het beroep ongegrond is verklaard.
[betrokkene 2]heeft mr. W.G. Fischer in de zaak 13/3999 AKW hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 juni 2013, 12/4438, waarbij het beroep ongegrond is verklaard.
[betrokkene 3]heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld in de zaak 12/3754 AKW hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2012, 11/2814, waarbij het beroep ongegrond is verklaard.
[betrokkene 4]heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld in de zaken 14/469 AKW, 13/6788 WWB en 13/6789 WWB, 14/6680 WWB en 14/6681 WWB hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van respectievelijk 11 december 2013, 12/4453,
[betrokkene 5]heeft mr. S. Cakici-Reinders in de zaak 14/5283 WWB hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 8 augustus 2014, 13/5551, waarbij het beroep ongegrond is verklaard.
[betrokkene 6]heeft mr. H.M. de Roo in de zaak 13/5422 WWB hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 augustus 2013, 13/476, waarbij het beroep ongegrond is verklaard.
[betrokkene 7]heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld in de zaken 14/2440 WWB en 14/2838 WWB hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van
[betrokkene 8]heeft mr. W.G. Fischer in de zaak 14/6406 AKW hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 oktober 2014, 13/182, waarbij het beroep gegrond is verklaard, het bestreden besluit is vernietigd en is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.
[betrokkene 1]is geboren op [datum 1] 1974 en heeft de Venezolaanse nationaliteit. Zij is in 2007/2008 op een toeristenvisum naar Nederland gekomen voor een bezoek aan de Nederlander [naam 1], die zij via internet had leren kennen. Uit de relatie met [naam 1] is op 30 maart 2009 dochter [naam dochter 1] geboren. [naam dochter 1] is door [naam 1] erkend. Op grond van de nationaliteit van [naam 1] heeft [naam dochter 1] de Nederlandse nationaliteit gekregen. Tot juni 2011 heeft [betrokkene 1] met [naam dochter 1] en [naam 1] in Duitsland gewoond. Eind juni 2011 is [betrokkene 1] met [naam dochter 1] door [naam 1] uit huis weggestuurd, waarna moeder en kind zich hebben gemeld bij de crisisopvang van de gemeente [gemeente] alwaar zij enige tijd hebben verbleven. Hier kregen zij onderdak en werden maaltijden verstrekt. [betrokkene 1] heeft vervolgens een verblijfsvergunning bij de IND aangevraagd. De procedure mocht zij in Nederland afwachten. Op 19 december 2011 heeft [betrokkene 1] bij de IND een aanvraag om toetsing aan het EU-gemeenschapsrecht gedaan, waarbij een beroep op de Ruiz Zambrano-jurisprudentie is gedaan. Namens [betrokkene 1]is gesteld dat tussen [naam 1] en [naam dochter 1] nauwelijks contact is en dat hij niet bijdraagt in de opvoeding en het onderhoud van [naam dochter 1]. Het gezag over [naam dochter 1] berust bij [betrokkene 1]. [naam dochter 1] ontvangt per
7 juli 2011 op grond van haar Nederlanderschap een beperkte uitkering ingevolge de WWB
(€ 458,96 per maand, bestaande uit leefgeld en compensatie kinderbijslag). In de vreemdelingrechtelijke procedure is in het kader van de toetsing van het verblijfsrecht aan het Unierecht geoordeeld dat [betrokkene 1] geen verblijfsrecht ontleent aan artikel 21 van Pro het VWEU en dat evenmin het beroep op het arrest Ruiz Zambrano doel kan treffen. Hierbij is van belang geacht dat op geen enkele wijze is onderbouwd dat [naam dochter 1] niet bij haar vader kan verblijven, eventueel met hulp van derden in de kinderopvang.
Svbheeft de aanvraag van [betrokkene 1] om kinderbijslag over de periode in geding - het vierde kwartaal van 2011 en het eerste kwartaal van 2012 - afgewezen omdat [betrokkene 1] niet over een geldige verblijfstitel beschikt.
rechtbankheeft het beroep van [betrokkene 1] afgewezen, omdat - voor zover hier relevant - niet kan worden gezegd dat het niet toekennen van kinderbijslag tot gevolg heeft dat [naam dochter 1] feitelijk wordt verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten.
collegeArnhem heeft de aanvraag van [betrokkene 1] om bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder afgewezen op de grond dat [betrokkene 1] in de periode in geding
- 7 juli 2011 tot 1 augustus 2011 - geen rechtmatig verblijf had in Nederland.
rechtbankheeft het beroep van [betrokkene 1] gegrond verklaard omdat uit het arrest Ruiz Zambrano volgt dat [betrokkene 1] en haar dochter tezamen een zodanige uitkering moet worden verstrekt dat zij over voldoende bestaansmiddelen beschikken om te voorzien in eigen onderhoud. En dat alleen dan aan [naam dochter 1] het effectieve genot van haar Unieburgerschap wordt geëffectueerd.
[betrokkene 2]is geboren op [datum 2] 1977 en heeft de Surinaamse nationaliteit. [betrokkene 2] is in 2004 naar Nederland gekomen. Zij had sedert 6 februari 2004 een verblijfsvergunning die in 2006 is ingetrokken. Laatstelijk op 18 januari 2011 heeft [betrokkene 2] een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning gedaan. Tijdens die procedure mocht [betrokkene 2] niet worden uitgezet. [betrokkene 2] heeft vier kinderen waarvan [naam kind S], geboren op 23 december 2009, de Nederlandse nationaliteit heeft. De vader van [naam kind S] is de Nederlander [naam 2], die haar heeft erkend. [betrokkene 2] en [naam 2] zijn beiden belast met het gezag over [naam kind S], maar leefden gescheiden. Door [betrokkene 2] is gesteld dat [naam 2] ten tijde in geding in Amsterdam bij een kennis woonde en geen eigen woonruimte had. Er is contact tussen [naam 2] en [naam kind S], maar er is geen omgangsregeling afgesproken. Voorts draagt [naam 2] niet bij in het onderhoud van [naam kind S] omdat hij daarvoor de middelen niet heeft. Het gezinsinkomen van [betrokkene 2] bestond uit kinderbijstand van [naam kind S] (€ 210,72 per maand) en een Wajonguitkering van het kind [naam kind] (€ 170,- per maand). In de eerste helft van 2011 kwam hier nog € 420,- per maand bij aan uitkering ten behoeve van de andere twee kinderen. Op 17 mei 2011 is aan [betrokkene 2] en haar kinderen een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd toegekend. Op grond hiervan is kinderbijslag toegekend met ingang van het derde kwartaal van 2011.
Svbheeft de aanvraag van [betrokkene 2] om kinderbijslag over de periode in geding - het tweede kwartaal van 2010 tot en met het tweede kwartaal van 2011 - afgewezen omdat zij in die periode niet beschikte over een geldige verblijfstitel.
rechtbankheeft het beroep van [betrokkene 2] afgewezen en het standpunt van de Svb gevolgd. Toetsing aan het arrest Ruiz Zambrano heeft hierbij niet plaatsgevonden
.
[betrokkene 3]is geboren op [datum 3] 1988. Zij is in 2003 vanuit voormalig Joegoslavië naar Nederland gekomen. De nationaliteit van [betrokkene 3] is wegens gebrek aan identiteitspapieren niet geheel duidelijk, mogelijk heeft zij de Kroatische nationaliteit. Een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning is in 2009 afgewezen. [betrokkene 3] heeft sinds ongeveer 2004/2005 een affectieve relatie met de Nederlander [naam 3]. Uit hun relatie is op
26 januari 2010 het kind [naam dochter 2] geboren. [naam dochter 2] is na de geboorte uit huis geplaatst omdat [betrokkene 3] geen vaste verblijfplaats had. Sinds 2 juni 2010 verblijven moeder en dochter in een opvanghuis. De vader heeft [naam dochter 2] erkend op 13 oktober 2010 en sindsdien heeft zij de Nederlandse nationaliteit. [betrokkene 3] heeft het gezag over [naam dochter 2]. [betrokkene 3] heeft gesteld dat zij en de vader van [naam dochter 2] niet kunnen samenwonen omdat de vader in een traject van begeleid wonen zit. [naam dochter 2] ontving op grond van haar Nederlandse nationaliteit kinderbijstand van ongeveer € 210,- per maand.
Svbheeft de aanvraag van [betrokkene 3] om kinderbijslag over de periode in geding - het vierde kwartaal van 2010 en het eerste kwartaal van 2011 - afgewezen omdat zij geen geldige verblijfsstatus heeft.
rechtbankheeft het beroep van [betrokkene 3] afgewezen onder meer op de grond dat gelet op de feiten en omstandigheden het niet toekennen van kinderbijslag niet tot gevolg heeft dat [naam dochter 2] feitelijk wordt verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten.
[betrokkene 4]is geboren op [datum 4] 1980 en heeft de Nicaraguaanse nationaliteit. In 2001/2002 is zij met de Nederlander [naam 4], die zij in Costa Rica heeft ontmoet, naar Nederland gekomen. Op 9 april 2008 is hun dochter [naam dochter 3] geboren die door [naam 4] is erkend en daardoor de Nederlandse nationaliteit heeft. [betrokkene 4] heeft het gezag over [naam dochter 3]. [betrokkene 4] heeft gesteld dat zij en [naam 4] niet hebben samengewoond en dat hij ten tijde in geding in Costa Rica en de Verenigde Staten verbleef. Uit de basisadministratie personen blijkt dat [naam 4] op 8 juli 2009 vertrokken is naar Costa Rica. Voorts is gesteld dat er tussen [naam 4] en [naam dochter 3] geen omgangsregeling was en alleen in het begin wat contact, later niet meer. [naam 4] draagt niet bij in het onderhoud van [naam dochter 3]. Zijn huidige verblijfplaats is onbekend. Met ingang van 12 juli 2012 ontvangt [naam dochter 3] de zogenoemde kinderbijstand van € 230,- per maand. [betrokkene 4] heeft nog een kind, geboren in 2009, met de Nicaraguaanse nationaliteit, waarvan [naam 4] niet de vader is. Het gezin heeft geen vaste verblijfplaats, maar wordt opgevangen door de gemeente. [betrokkene 4] heeft verschillende vreemdelingrechtelijke procedures gevoerd. In een thans nog aanhangige vreemdelingrechtelijke procedure heeft de IND het standpunt ingenomen dat [betrokkene 4] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [naam dochter 3], indien aan haar moeder geen verblijfsrecht toekomt, feitelijk gedwongen wordt de Unie te verlaten door haar te volgen naar het land van herkomst. Volgens de IND is niet gebleken dat [naam 4] feitelijk niet in staat zou zijn de zorg voor [naam dochter 3] te dragen. Het enkele feit dat [naam 4] in het verleden naar Costa Rica is vertrokken, betekent niet dat hij niet in staat is de zorg voor [naam dochter 3] op zich te nemen, eventueel met behulp van derden.
Svbheeft de aanvraag van [betrokkene 4] om kinderbijslag over de periode in geding - het vierde kwartaal van 2010 tot en met het vierde kwartaal van 2011 - afgewezen omdat zij geen geldige verblijfsstatus heeft.
rechtbankheeft het beroep van [betrokkene 4] afgewezen en het standpunt van de Svb gevolgd. De rechtbank heeft hierbij verwezen naar de uitkomst in eerdere vreemdelingrechtelijke procedures.
college’s-Gravenhage heeft de aanvragen van [betrokkene 4] om bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder over de periode in geding - 26 juli 2012 tot en met 27 maart 2013 - afgewezen omdat [betrokkene 4] geen rechtmatige verblijfstitel heeft.
rechtbankheeft dit standpunt onder verwijzing naar de eerdere vreemdelingrechtelijke procedures onderschreven.
[betrokkene 5]is geboren op [datum 5] 1989 en heeft de Rwandese nationaliteit. Op
12 december 2011 is haar dochter [naam dochter 4] geboren. De vader van [naam dochter 4] is A. [naam 5], die de Nederlandse nationaliteit heeft en het kind heeft erkend. [naam dochter 4] heeft hierdoor de Nederlandse nationaliteit verkregen. Na de geboorte is de relatie tussen [betrokkene 5] en [naam 5] verbroken. [naam 5] heeft zijn kind alleen kort na de geboorte gezien. Gesteld is dat er tussen [betrokkene 5] en [naam 5] en tussen [naam dochter 4] en haar vader op verzoek van de vader sindsdien geen contact meer is. De vader draagt niet bij aan de verzorging en de opvoeding van [naam dochter 4]. Aan [naam dochter 4] is kinderbijstand toegekend ten bedrage van € 264,71 per maand. [betrokkene 5] en haar dochter worden opgevangen door de gemeente. In de vreemdelingrechtelijke procedure is geoordeeld dat [betrokkene 5] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vader van het kind feitelijk niet geacht kan worden voor het kind zorg te dragen. Niet is aangetoond dat het gezag niet aan de vader is toegekend, noch dat dit gezag feitelijk niet door hem kan worden uitgeoefend. De verklaring van de vader van [naam dochter 4] dat hij niet voor het kind kan en wil zorgen, is onvoldoende om aan te nemen dat hij feitelijk niet geacht kan worden voor het kind zorg te dragen. Dat er geen contact meer is met de vader, maakt dat niet anders.
college’s-Hertogenbosch heeft de aanvraag van [betrokkene 5] om bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder over de periode in geding - 20 maart 2013 tot en met 3 juli 2013 - afgewezen omdat zij geen geldige verblijfsstatus heeft.
rechtbankheeft het beroep van [betrokkene 5] onder meer onder verwijzing naar het oordeel in de vreemdelingrechtelijke procedure afgewezen.
[betrokkene 6]is geboren op [datum 6] 1987 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Uit de relatie met de Nederlander [naam 6] zijn twee kinderen geboren, [kind 1], op 25 november 2009 en [kind 2], op
23 november 2012. De kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. De relatie tussen [betrokkene 6] en [naam 6] is eerder al beëindigd. [naam 6] heeft een aantal malen per week contact met zijn kinderen. Hij haalt de oudste op van school en brengt enige tijd met haar door. In afwachting van haar vreemdelingrechtelijke procedure mocht [betrokkene 6] in Nederland verblijven. [naam 6] ontvangt een bijstandsuitkering alsmede kinderbijslag. De kinderbijslag draagt hij af aan [betrokkene 6]. Hij zou verder niets bij (kunnen) dragen in het onderhoud. Ten tijde in geding ontving het kind [kind 1]kinderbijstand van € 230,- per maand, verhoogd met woonkostenvergoeding van € 700,-.
collegeAmsterdam heeft de aanvraag van [betrokkene 6] om bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder over de periode in geding - 10 oktober 2012 tot en met
12 november 2012 - afgewezen onder meer op de grond dat geen sprake is van de situatie dat beide ouders de Unie moeten verlaten, nu immers de vader de Nederlandse nationaliteit heeft en niet is aangetoond dat de vader niet in staat is voor [kind 1] te zorgen.
rechtbankheeft het beroep van [betrokkene 6] ongegrond verklaard en het standpunt van het college Amsterdam onderschreven. Volgens de rechtbank kan niet worden gezegd dat onder de omstandigheden van het geval de weigering om bijstand te verlenen ertoe zou leiden dat de dochter van [betrokkene 6] feitelijk zou worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten om haar moeder te volgen. De uitkeringen die de dochter ontvangt, moeten voldoende zijn om zelfstandig in haar bestaan te kunnen voorzien. De stelling dat [naam 6] tot dan toe geen zorgende rol heeft gehad, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel.
[betrokkene 7]is geboren op [datum 7] 1984 en heeft de Kameroense nationaliteit. Zij is in 1999 naar Nederland gekomen. Uit de relatie met de Nederlander [naam 7] is op 2 mei 2008 het kind [kind 3] geboren. [naam 7] heeft [kind 3] erkend en [kind 3] heeft de Nederlandse nationaliteit. [betrokkene 7] en [naam 7] hebben gezamenlijk het gezag over [kind 3]. [betrokkene 7] en [naam 7] leven gescheiden. [kind 3] staat op het adres van [naam 7] ingeschreven, maar woont feitelijk bij haar moeder. Zij worden in noodopvang opgevangen door de gemeente Den Haag. Er is een omgangsregeling vastgesteld tussen [naam 7] en [kind 3]. [kind 3] verblijft drie weekenden per maand bij haar vader en soms in vakanties. [naam 7] betaalt € 200,- aan kinderalimentatie per maand. [naam 7] ontvangt tevens kinderbijslag die hij afdraagt aan [betrokkene 7]. Aan [kind 3] is met ingang van 13 november 2012 kinderbijstand toegekend van € 230,- waarop de alimentatie wordt ingehouden. [naam 7] heeft een fulltime baan en heeft gesteld daardoor niet (alleen) voor [kind 3] te kunnen zorgen.
college’s-Gravenhage heeft de aanvraag van [betrokkene 7] om bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder over de perioden in geding - 12 juli 2012 tot 1 september 2012 en 7 mei 2013 tot 21 juni 2013 - afgewezen onder meer op de grond dat geen sprake is van de situatie dat beide ouders de Unie moeten verlaten, nu immers de vader de volledige zorg zou kunnen dragen voor [kind 3].
rechtbankheeft de beroepen van [betrokkene 7] ongegrond verklaard, mede onder verwijzing naar het oordeel in de vreemdelingrechtelijke procedure waarin het standpunt is ingenomen dat [kind 3] bij haar vader kan verblijven en dat zij niet wordt belemmerd in het uitoefenen van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten. Niet gebleken is dat de vader niet feitelijk voor [kind 3] zou kunnen zorgen, zodat van een situatie dat [kind 3] gedwongen wordt Nederland te verlaten geen sprake is.
[betrokkene 8]is geboren op [datum 8] 1989 en heeft de Venezolaanse nationaliteit. Zij is op 24 oktober 2007 Nederland ingereisd en is op 2 november 2009 teruggegaan naar Venezuela. In januari 2011 is zij weer naar Nederland gekomen. Uit de relatie met de Nederlander [naam 8] is op 31 maart 2011 het kind [kind 4] geboren. [naam 8] heeft [kind 4] erkend en [kind 4] heeft de Nederlandse nationaliteit. [naam 8] en [betrokkene 8] hebben geen relatie meer en wonen niet samen, maar [betrokkene 8] en [kind 4] wonen in bij de stiefvader en de broer van [naam 8]. [betrokkene 8] heeft de dagelijkse zorg over [kind 4]. [naam 8] heeft bijna dagelijks contact met zijn zoon maar is niet bereid de zorg op zich te nemen. Het gezag over [kind 4] berust bij [betrokkene 8]. [naam 8] draagt beperkt bij in de kosten van [kind 4]. Aan [kind 4] is per 24 juli 2012 kinderbijstand toegekend van ruim € 200,- per maand. In een vreemdelingrechtelijke procedure is het standpunt ingenomen dat het voor [naam 8] feitelijk niet onmogelijk is om te zorgen voor [kind 4], eventueel met behulp van derden. Dat [naam 8] hiervoor niet wenst te kiezen maakt dit niet anders.
Svbheeft de aanvraag om kinderbijslag over het derde kwartaal van 2011 tot en met het derde kwartaal van 2012 afgewezen omdat [betrokkene 8] geen geldige verblijfsstatus heeft.
rechtbankheeft dit besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, mede onder verwijzing naar het oordeel in de vreemdelingrechtelijke procedure.
collegeRotterdam heeft de aanvraag van [betrokkene 8] om bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder over de periode in geding - 10 augustus 2012 tot en met 1 oktober 2012 - afgewezen onder meer op de grond dat het arrest Ruiz Zambrano niet strekt tot het verlenen van aanspraak op bijstand.
rechtbankheeft - voor zover hier relevant - het beroep gegrond verklaard omdat het college Rotterdam ten onrechte niet heeft onderzocht of [betrokkene 8] een verblijfsrecht ontleent aan de Ruiz Zambrano-jurisprudentie.
.