ECLI:NL:RVS:2016:1166
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende bestaansmiddelen
De vreemdeling verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij haar partner in Nederland te verblijven. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvraag op 21 oktober 2013 af omdat de referent niet over voldoende zelfstandige en duurzame middelen van bestaan beschikte. De staatssecretaris verklaarde het bezwaar tegen deze afwijzing op 14 oktober 2014 ongegrond, waarna de rechtbank Den Haag het beroep van de vreemdeling op 26 maart 2015 eveneens ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De staatssecretaris gaf aan het besluit niet langer te handhaven en erkende dat het besluit ondeugdelijk was gemotiveerd. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep gegrond. Tevens werd het besluit van 21 oktober 2013 herroepen en werd de staatssecretaris veroordeeld tot het nemen van een nieuw besluit.
De vreemdeling verzocht ook om vergoeding van immateriële schade wegens de lange duur van de procedure en de psychische gevolgen voor haar en haar gezin. Dit verzoek werd afgewezen omdat het causaal verband niet voldoende was aangetoond en de procedure binnen redelijke termijn was afgerond. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht.
De uitspraak is gedaan op 21 april 2016 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarbij het hoger beroep gegrond werd verklaard en het besluit tot weigering van de mvv werd vernietigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd.