ECLI:NL:RVS:2016:1448
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- R. van der Spoel
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling na toegangsweigering
De vreemdeling werd op 18 december 2015 de toegang geweigerd bij Eindhoven Airport en kreeg op 19 december 2015 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd, waarbij hij zich moest ophouden in het Justitieel Complex Schiphol (JCS). Vanwege vervoersproblemen verbleef hij eerst in het Huis van Bewaring Eindhoven. De rechtbank oordeelde dat de maatregel onrechtmatig was vanaf 20 december 2015 vanwege overschrijding van een redelijke termijn.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en voerde aan dat het verblijf in het Huis van Bewaring niet als overbrenging kon worden beschouwd en dat de maatregel daardoor niet onrechtmatig was. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de overbrenging naar het Huis van Bewaring als vervoer geldt en het verblijf daar niet, en dat het ontbreken van een plaatsingsbeschikking voor die locatie niet leidt tot onrechtmatigheid.
Verder stelde de vreemdeling dat de belangenafweging voor het lichter middel ontbrak en dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend had gehandeld bij het terugkeerproces. De Raad van State vond dat de belangenafweging wel degelijk kenbaar was gemaakt en dat de staatssecretaris voldoende inspanningen had verricht. Het beroep van de vreemdeling werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de vrijheidsontnemende maatregel wordt als rechtmatig bevestigd.