ECLI:NL:RVS:2008:BG5649
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Vaststelling voortvarendheid bij vreemdelingenbewaring en rol regievoerder DT&V
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend had gehandeld bij de uitzettingsprocedure van een vreemdeling. De rechtbank had de bewaring opgeheven en schadevergoeding toegekend.
De Raad van State stelt vast dat de vreemdeling op 26 juni 2008 is gehoord en dezelfde dag zijn identiteit is vastgesteld. Op 27 juni 2008 is hij in bewaring gesteld, waarna het dossier op 2 juli 2008 bij de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) is ontvangen. Een regievoerder werd op 3 juli 2008 aangewezen en op 4 juli 2008 vond een vertrekgesprek plaats, waarna op 7 juli 2008 een aanvraag om een laissez passer werd verzonden.
De Raad concludeert dat de voortvarendheid in de voorbereiding van de uitzetting voldoende is betracht en dat het aan de regievoerder is om te bepalen welke documenten noodzakelijk zijn. De eerdere aanvraag om een laissez passer hoefde niet gelijktijdig met de inbewaringstelling te worden doorgezonden. De grieven van de staatssecretaris slagen, het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Een verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.