ECLI:NL:RVS:2016:1577
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit minister inzake weigering openbaarmaking op grond van Wob
Appellante verzocht op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om openbaarmaking van documenten, hetgeen door de minister op 1 september 2014 werd afgewezen. Vervolgens verklaarde de minister het bezwaar van appellante tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk omdat de gemachtigde, mr. Niederer, geen voldoende specifieke machtiging had overgelegd. De rechtbank Gelderland bevestigde deze niet-ontvankelijkverklaring in haar uitspraak van 3 september 2015.
In hoger beroep betoogde appellante dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de minister mocht aannemen dat de machtiging onvoldoende specifiek was. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de machtiging van 4 mei 2014 weliswaar algemeen was geformuleerd, maar voldoende specifiek om de vertegenwoordigingsbevoegdheid van Niederer te bepalen, inclusief het indienen van bezwaar en het voeren van procedures op grond van de Wob.
De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de minister dat het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde. De minister werd opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen, waarbij tevens werd bepaald dat tegen dit nieuwe besluit alleen beroep bij de Afdeling kan worden ingesteld. Tot slot werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellante.
Uitkomst: Het bezwaar van appellante wordt gegrond verklaard en het besluit van de minister vernietigd, met opdracht tot een nieuw besluit.