ECLI:NL:RVS:2016:1797
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete Wet arbeid vreemdelingen na matiging wegens looncriteriumkennismigrant
De minister legde appellant een boete van €12.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat een Indiase kennismigrant in 2013 niet voldeed aan het looncriterium en er geen tewerkstellingsvergunning was afgegeven.
Appellant stelde dat zij niet volledig verwijtbaar was, omdat de werknemer in 2012 voldeed aan het looncriterium en zij niet geïnformeerd was door de minister of IND over de gevolgen van een tijdelijke loonverlaging. Zij had de loonwijziging niet gemeld omdat zij dacht dat dit geen overtreding veroorzaakte.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant redelijkerwijs had moeten weten dat het looncriterium essentieel is en dat zij meer had moeten doen, zoals contact opnemen met IND of UWV. De boete was echter te hoog volgens de gewijzigde beleidsregel, die het boetenormbedrag voor deze overtreding verlaagde naar €8.000.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het eerdere besluit vernietigd en de boete vastgesteld op €8.000. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellant.
Uitkomst: De boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt gematigd naar €8.000.