ECLI:NL:RVS:2016:1832
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onrechtmatigheid vreemdelingenbewaring wegens onjuiste wettelijke grondslag
Bij besluit van 15 februari 2016 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld, nadat zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel was afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en oordeelde dat de bewaring onrechtmatig was omdat de wettelijke grondslag onjuist was toegepast. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de maatregel van bewaring op 15 februari 2016 niet rechtsgeldig kon worden gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat de vreemdeling op dat moment rechtmatig verblijf had. De staatssecretaris kon niet aannemelijk maken dat de belangenafweging die de rechtbank had nagelaten, alsnog tot een andere uitkomst zou leiden.
De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk ongegrond en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling op 15 februari 2016 was onrechtmatig en het hoger beroep van de staatssecretaris wordt verworpen.