ECLI:NL:RVS:2016:2106
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B.P. Vermeulen
- T.G.M. Simons
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit Belastingdienst tot nihilstelling toeslagen wegens niet-rechtmatig verblijf partner
Appellante woonde samen met haar echtgenoot en twee kinderen in Nederland. De Belastingdienst stelde de voorschotten zorgtoeslag, kindgebonden budget en huurtoeslag voor 2013 en 2014 op nihil omdat de verblijfsvergunning van haar partner met terugwerkende kracht was ingetrokken per 5 september 2012, waardoor volgens artikel 9, tweede lid, van de Awir geen recht op toeslagen bestond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het besluit niet in strijd was met het IVBPR, EVRM, het rechtszekerheidsbeginsel of andere beginselen van behoorlijk bestuur. Appellante stelde in hoger beroep dat het besluit discriminerend was en in strijd met het evenredigheidsbeginsel en rechtszekerheid.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het onderscheid in artikel 9, tweede lid, Awir een redelijke en objectieve rechtvaardiging heeft, namelijk het voorkomen van voortzetting van illegaal verblijf en het opbouwen van een onuitzetbare rechtspositie. De omstandigheden van appellante waren niet zodanig bijzonder dat het artikel buiten toepassing moest worden gelaten.
Verder oordeelde de Afdeling dat appellante geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan de voorschotten en dat de terugvordering van teveel betaalde toeslagen dwingend is voorgeschreven. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van de Belastingdienst tot nihilstelling van toeslagen wordt bevestigd.