ECLI:NL:RVS:2016:2341
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- J.Th. Drop
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over bouwvergunning en proceskostenvergoeding
Het college van burgemeester en wethouders van Bernisse verleende op 23 augustus 2010 een reguliere bouwvergunning voor het herbouwen van een bedrijfspand aan Icees Service Center B.V. Na bezwaar van appellante werd bij besluit van 8 mei 2013 het eerdere besluit herroepen en een nieuwe vergunning verleend. De rechtbank Rotterdam vernietigde dit besluit deels en liet de rechtsgevolgen in stand. Appellante stelde hiertegen hoger beroep in.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde in een tussenuitspraak dat het besluit van 8 mei 2013 onvoldoende was gemotiveerd omtrent de milieu-invloed van het bedrijf Icees, met name ten aanzien van de geluidsbelasting en de classificatie in milieucategorie 2. Het college werd opgedragen het besluit te herstellen met een betere motivering.
Na aanvullend akoestisch onderzoek door DCMR en hernieuwde besluitvorming op 9 maart 2016, waarbij het college het bezwaar van appellante gegrond verklaarde en de vergunning opnieuw verleende, werd het hoger beroep voortgezet. Appellante voerde aan dat het akoestisch onderzoek gebreken vertoonde, onder andere door het niet meenemen van avondwerkzaamheden en een te laag vastgesteld bronvermogen van de gebruikte machines.
De Afdeling oordeelde echter dat het akoestisch onderzoek de representatieve bedrijfssituatie juist weergeeft en dat de door appellante aangevoerde bezwaren onvoldoende zijn om het onderzoek en het besluit te verwerpen. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank voor zover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand waren gelaten, verklaarde het beroep tegen het besluit van 9 maart 2016 ongegrond en veroordeelde het college tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep tegen het besluit van 9 maart 2016 ongegrond verklaard, met een proceskostenvergoeding aan appellante.