ECLI:NL:RVS:2016:2367
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.E.M. Polak
- R. van der Spoel
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging omgevingsvergunning manege Hillegom wegens onvoldoende motivering en onderzoek alternatieve locaties
Het college van burgemeester en wethouders van Hillegom verleende op 15 april 2014 een omgevingsvergunning voor de realisatie van een manege aan de Ampèrestraat in Hillegom. Precimax Special Products en anderen en de Vereniging Behoud de Polders maakten hiertegen bezwaar en beroep wegens onder meer onvoldoende onderzoek naar alternatieve locaties binnen bestaand stedelijk gebied en gebrekkige motivering over de ruimtelijke kwaliteit.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit. Het college verleende vervolgens op 20 augustus 2015 een nieuwe vergunning, waarop opnieuw beroep werd ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde in een tussenuitspraak dat het college de gebreken moest herstellen. Na aanvullende motivering door het college oordeelde de Afdeling dat het onderzoek naar alternatieve locaties en de motivering over de ruimtelijke kwaliteit voldoende waren, maar dat het besluit van 20 augustus 2015 alsnog vernietigd moest worden. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand.
De Afdeling overwoog dat het college adequaat had onderzocht waarom alternatieve locaties binnen bestaand stedelijk gebied niet geschikt waren, waaronder locaties met leegstaande agrarische bebouwing. Ook werd geoordeeld dat het college terecht van de VNG-richtafstanden voor geur kon afwijken zonder dat het leefklimaat in gevaar kwam. De ruimtelijke kwaliteitsverbetering door verplaatsing van de manege werd als voldoende gemotiveerd beoordeeld.
Tegelijkertijd werd het beroep tegen het besluit van 30 juni 2016, waarin een gewijzigde vergunning werd verleend, ongegrond verklaard. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan Precimax Special Products en anderen en de Vereniging Behoud de Polders. De Afdeling benadrukte dat nieuwe beroepsgronden die na de tussenuitspraak werden ingebracht niet in behandeling konden worden genomen.
Uitkomst: Het besluit van 20 augustus 2015 wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; het beroep tegen het besluit van 30 juni 2016 wordt ongegrond verklaard.