ECLI:NL:RVS:2016:2479
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit Wet arbeid vreemdelingen wegens overschrijding redelijke termijn
Bij besluit van 4 januari 2012 legde de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een boete van € 552.000,- op aan appellant wegens 69 overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Na bezwaar en beroep werd de boete in latere besluiten en uitspraken verlaagd, maar het geschil bleef voortduren.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant gegrond en stelde de boete vast op € 245.500,-. Zowel appellant als de minister stelden hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak behandelde de zaak op 19 mei 2016.
De Raad van State verwijst naar eerdere uitspraken waarin de rechtsvragen zijn beantwoord en oordeelt dat het hoger beroep van de minister ongegrond is, het hoger beroep en incidenteel hoger beroep van appellant gegrond zijn. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, het besluit van 8 augustus 2013 wordt vernietigd en het besluit van 4 januari 2012 wordt herroepen.
Vanwege overschrijding van de redelijke termijn veroordeelt de Raad van State zowel de minister als de Staat der Nederlanden tot betaling van een vergoeding van € 1.000,- aan appellant. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: Het boetebesluit van de minister wordt vernietigd en herroepen, met veroordeling tot vergoeding van proceskosten en een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.