ECLI:NL:RVS:2016:2388
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit wegens onterecht opgelegde boete arbeid vreemdelingen in kader grensoverschrijdende dienstverrichting
De minister legde [appellante sub 2] een boete van €552.000 op wegens overtredingen van de Wet arbeid vreemdelingen, omdat vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning in Nederland werkten. De rechtbank verlaagde de boete, maar de minister ging in hoger beroep. De Raad van State oordeelde dat de minister onvoldoende had aangetoond dat [bedrijf 3] als werkgever kon worden aangemerkt en dat de vreemdelingen feitelijk in dienst waren van [appellante sub 2].
Verder stelde de Raad vast dat de arbeid van de vreemdelingen viel onder de vrijheid van dienstverrichting binnen de EU, waardoor geen tewerkstellingsvergunning vereist was. De Duitse verblijfs- en werkvergunningen waren geldig en de beperkingen daarin vormden geen onrechtmatige belemmering van het dienstenverkeer. De minister mocht daarom geen boete opleggen.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden, wat leidde tot een vergoeding van immateriële schade aan [appellante sub 2]. De Raad vernietigde het eerdere besluit en verklaarde het beroep gegrond, waarbij de minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.
Uitkomst: De boete is herroepen omdat de arbeid viel onder de vrijheid van dienstverrichting en geen tewerkstellingsvergunning vereist was.