ECLI:NL:RVS:2016:2480
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit Wet arbeid vreemdelingen wegens overschrijding redelijke termijn
Bij besluit van 4 januari 2012 legde de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een boete van € 552.000,- op aan appellant wegens 69 overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Na bezwaar werd de boete door de minister verlaagd naar € 276.000,-. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant gegrond, vernietigde het bezwaarbesluit en stelde de boete vast op € 245.500,-. Zowel appellant als de minister stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het hoger beroep op 19 mei 2016. Uit eerdere uitspraken volgde dat het hoger beroep van de minister ongegrond was en dat van appellant gegrond. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bezwaarbesluit en herroept het oorspronkelijke boetebesluit van 4 januari 2012.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn was overschreden, waardoor zowel de minister als de Staat der Nederlanden krachtens artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht veroordeeld werden tot een vergoeding van € 1.000,- aan appellant. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het boetebesluit van 4 januari 2012 wordt herroepen en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.