ECLI:NL:RVS:2016:2505

Raad van State

Datum uitspraak
21 september 2016
Publicatiedatum
21 september 2016
Zaaknummer
201508046/1/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • G.M.H. Hoogvliet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken belanghebbendheid bij omgevingsvergunning woningbouw

Het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard verleende op 25 september 2014 een omgevingsvergunning voor het oprichten van een woning met garage op een perceel. Appellanten, wonend op een ander perceel op circa 140 meter afstand, voerden bezwaar aan tegen deze vergunning. De rechtbank verklaarde hun beroep niet-ontvankelijk omdat zij niet als belanghebbenden konden worden aangemerkt.

In hoger beroep betoogden appellanten dat zij wel degelijk belanghebbenden waren, omdat het besluit hun woon- en leefomgeving zou raken. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat belanghebbendheid vereist dat een persoon een voldoende objectief bepaalbaar, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks wordt geraakt. Gelet op de afstand, het kassencomplex tussen de percelen en het ontbreken van direct zicht op de woning, concludeerde de Afdeling dat appellanten geen rechtstreeks belang hebben bij het besluit.

De Afdeling verwierp de verwijzing van appellanten naar een eerdere uitspraak over een uitrit bij een tuincentrum, omdat die situatie niet vergelijkbaar is met de bouw van een enkele woning. De Afdeling bevestigde daarom de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep van appellanten wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belanghebbendheid.

Uitspraak

201508046/1/A1.
Datum uitspraak: 21 september 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Rhoon, gemeente Albrandswaard,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 15 september 2015 in zaak nr. 14/7572 in het geding tussen:
[appellant A] en [appellant B]
en
het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard.
Procesverloop
Bij besluit van 25 september 2014 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een woning met garage op het perceel [locatie 1].
Bij uitspraak van 15 september 2015 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [partij] een nadere uiteenzetting gegeven.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2016, waar [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door [appellant B] en bijgestaan door mr. J.M. Smits, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door mr. K. van Geldrop, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [partij], vertegenwoordigd door mr. D. Heuker, advocaat te Eindhoven, als partij gehoord.
Overwegingen
1. Het bouwplan voorziet in de bouw van een woning met een garage op het perceel [locatie 1].
2. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank hen ten onrechte niet als belanghebbende heeft aangemerkt bij de omgevingsvergunning. Derhalve heeft de rechtbank hun beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Zij hebben in hoger beroep hun beroepschrift herhaald en ingelast.
2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
2.2. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling een voldoende objectief bepaalbaar, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.
[appellant A] en [appellant B] wonen op het perceel [locatie 2]. Vast staat dat de afstand tussen dit perceel en de voorziene woning op het perceel [locatie 1] ongeveer 140 m bedraagt. Verder is niet in geschil dat tussen het perceel [locatie 2] en het perceel [locatie 1] een kassencomplex staat en dat [appellant A] en [appellant B] vanaf hun perceel derhalve geen direct zicht hebben op de voorziene woning. Gelet hierop, in samenhang bezien met de aard, omvang en gevolgen van de voorziene ontwikkeling, is de afstand tussen de betrokken percelen naar het oordeel van de Afdeling op zichzelf onvoldoende grond om een rechtstreeks betrokken belang van [appellant A] en [appellant B] aan te nemen bij het besluit van bij 25 september 2014. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, is niet aannemelijk geworden dat het bouwplan gevolgen van enige betekenis heeft op de woon- en leefomgeving van [appellant A] en [appellant B]. In hetgeen zij hebben aangevoerd heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor een ander oordeel.
Voor zover [appellant A] en [appellant B] nog hebben verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 15 december 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR7570, die betrekking had op de belanghebbendheid van de betrokken bezwaarmaker bij het aanleggen van een uitrit voorzien op ongeveer 75 m afstand van zijn woning, overweegt de Afdeling dat de desbetreffende uitspraak - anders dan de voorliggende situatie - betrekking had op een uitrit bij een tuincentrum. De ruimtelijke gevolgen van een uitrit bij een tuincentrum - zoals bijvoorbeeld de toename van het aantal verkeersbewegingen en de geluidbelasting - staan naar het oordeel van de Afdeling niet in verhouding staan met de ruimtelijke gevolgen van een enkele woning.
De rechtbank heeft gelet op het voorgaande dan ook terecht het beroep van [appellant A] en [appellant B] niet-ontvankelijk verklaard, nu zij niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, bij het besluit van 25 september 2014.
Het betoog faalt.
3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Stoof, griffier.
w.g. Hoogvliet w.g. Stoof
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2016
749.