ECLI:NL:RVS:2016:2584
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Veroordeling staatssecretaris tot vergoeding proceskosten in terugkeerprocedure vreemdeling
De staatssecretaris heeft op 16 november 2012 een terugkeerbesluit genomen waarbij de vreemdeling werd opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in, dat door de rechtbank Den Haag op 23 februari 2016 deels gegrond werd verklaard, waarbij de staatssecretaris werd veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 968,00.
De vreemdeling stelde hoger beroep in tegen de proceskostenveroordeling omdat de rechtbank volgens hem ten onrechte bepaalde proceskosten niet had toegewezen, waaronder kosten voor het beroepschrift, nadere beroepschriften en het verschijnen van zijn gemachtigde op zittingen. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep gegrond verklaard en geoordeeld dat de rechtbank ten onrechte de kosten van deze proceshandelingen niet had toegekend.
De Afdeling heeft de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van in totaal € 1.984,00 aan proceskosten, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 251,00. Hiermee is de eerdere uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover deze de proceskostenveroordeling betrof.
De Afdeling baseerde haar oordeel op de toepasselijke bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarbij zij de proceshandelingen en zittingen als in de bijlage genoemde punten heeft gewaardeerd. De zaak werd als licht aangemerkt, waardoor een wegingsfactor van 0,5 werd toegepast op de proceskosten in hoger beroep.
De uitspraak werd gedaan door lid van de enkelvoudige kamer N. Verheij op 19 september 2016.
Uitkomst: De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan de vreemdeling.