ECLI:NL:RVS:2016:2658
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- E. Steendijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens gefingeerd dienstverband en frauduleus handelen
De vreemdeling kreeg op 29 oktober 2013 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als familie- of gezinslid van referente. De staatssecretaris trok deze vergunning met terugwerkende kracht in per 29 oktober 2013, omdat de arbeidsovereenkomst tussen referente en [bedrijf] volgens hem gefingeerd was en de vreemdeling onjuiste gegevens had verstrekt.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat er geen sprake was van frauduleus handelen, omdat een arbeidsovereenkomst bestond en salarisbetalingen waren gedaan. De staatssecretaris stelde echter in hoger beroep dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met het ontbreken van een gezagsverhouding en het feit dat geen daadwerkelijke arbeid was verricht.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris terecht concludeerde dat het dienstverband gefingeerd was, gezien tegenstrijdigheden in verklaringen, het ontbreken van bewijs van daadwerkelijk werk, en onlogische omstandigheden zoals het beëindigen van het dienstverband tijdens zwangerschap zonder betaald verlof.
Verder werd geoordeeld dat de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro en het Handvest correct was uitgevoerd, waarbij het gezinsleven in Turkije mogelijk is en de omstandigheden van de familie geen bijzondere gronden vormen om af te wijken van het beleid.
De Raad van State vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarmee de intrekking van de verblijfsvergunning werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunning wegens gefingeerd dienstverband en frauduleus handelen wordt bevestigd en het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.