ECLI:NL:RVS:2016:2728
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing intrekking verblijfsvergunning wegens betalingsonmacht griffierecht
De staatssecretaris heeft op 29 september 2014 de verblijfsvergunning van de vreemdeling ingetrokken. De vreemdeling maakte bezwaar tegen deze intrekking, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde hij beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep niet-ontvankelijk verklaarde vanwege niet-betaling van het griffierecht.
De vreemdeling voerde aan dat hij vanwege zijn illegale verblijf geen inkomen kon genereren en geen recht had op een socialezekerheidsuitkering, waardoor hij betalingsonmacht had. De Afdeling bestuursrechtspraak verwijst naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep en de Hoge Raad, waarin is bepaald dat bij betalingsonmacht het ontbreken van vermogen doorslaggevend is.
De vreemdeling had een eigen verklaring overgelegd waaruit bleek dat hij geen vermogen had. De rechtbank had ten onrechte ook andere omstandigheden meegewogen, wat strijdig was met de Awb. Daarom verklaart de Afdeling het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de zaak terug voor nieuwe behandeling met inachtneming van de juiste maatstaven.
De proceskosten in hoger beroep worden vastgesteld op €496,00, waarvan de vergoeding door de rechtbank zal worden beslist. Er is geen grond voor vergoeding van het griffierecht aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbeoordeling met inachtneming van de juiste criteria voor betalingsonmacht.