ECLI:NL:RVS:2016:2808
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking vergunning exploitatie prostitutie na onherroepelijke veroordeling
De burgemeester van Groningen trok op 16 januari 2015 vier vergunningen voor de exploitatie van prostitutieinrichtingen van appellant in, met ingang van 2 februari 2015. Dit volgde op het onherroepelijk worden van een veroordeling van appellant tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden wegens betrokkenheid bij een geweldsincident in 2007.
Appellant stelde in hoger beroep dat het onherroepelijk worden van de veroordeling geen nieuwe omstandigheid vormt die intrekking rechtvaardigt, en dat het inzetten van rechtsmiddelen daardoor onevenredig negatief wordt beïnvloed. Tevens voerde hij aan dat het feit dat het delict ruim 7,5 jaar geleden is gepleegd en hij sindsdien geen justitiële problemen had, onvoldoende werd meegewogen.
De Raad voor de Rechtspraak oordeelde dat het onherroepelijk worden van de veroordeling een relevante verandering van omstandigheden is volgens de Algemene plaatselijke verordening Groningen (Apv), die een dwingende weigeringsgrond inhoudt. De belangenafweging van de burgemeester, rekening houdend met het tijdsverloop en gedragingen van appellant, was niet onredelijk. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de vergunningen bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de vergunningen voor de exploitatie van prostitutieinrichtingen wordt bevestigd vanwege het onherroepelijk worden van een veroordeling.