ECLI:NL:RBOVE:2026:1152

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
ak_25_1463
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 AVGArt. 15 AVGArt. 1:3 AwbArt. 2:17 AwbArt. 4:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens onvoldoende bewijs van ontvangst aanvraag inzage persoonsgegevens

Eiser stelde het college van burgemeester en wethouders van Losser in gebreke wegens het niet tijdig beslissen op zijn verzoek om inzage in zijn persoonsgegevens. Het college wees de ingebrekestelling af omdat het geen aanvraag had ontvangen. Eiser voerde aan dat hij de aanvraag per e-mail had verzonden, maar kon dit niet aannemelijk maken met een ontvangstbevestiging of andere bewijsstukken.

De rechtbank oordeelde dat het risico van niet-ontvangst van een elektronisch bericht bij de verzender ligt en dat eiser onvoldoende bewijs leverde dat het verzoek het systeem van het college had bereikt. Het college toonde aan dat alleen de ingebrekestelling was ontvangen, niet het verzoek zelf. Eiser overhandigde het originele verzoek pas ter zitting, wat in strijd was met de goede procesorde en niet werd toegelaten.

Verder was het college niet verplicht eiser te horen omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Omdat geen aanvraag was ingediend, was er geen beslistermijn en kon het college niet in gebreke worden gesteld. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard omdat hij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een aanvraag bij het college heeft ingediend.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1463

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats],

hierna: [eiser]
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
en

het college van burgemeester en wethouders van Losser

hierna: het college
(gemachtigde: [gemachtigde 2] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om de ingebrekestelling af te wijzen die [eiser] heeft ingediend vanwege het niet tijdig nemen van een besluit. Het bezwaar dat [eiser] daartegen heeft gemaakt is door het college kennelijk ongegrond verklaard. Volgens het college kan het niet in gebreke worden gesteld omdat het geen verzoek heeft ontvangen en dus niet te laat is met beslissen daarop. [eiser] is het daar niet mee eens. Hij stelt dat zijn verzoek om inzage in zijn persoonsgegevens wel door het college is ontvangen en dat het college in gebreke is tijdig op die aanvraag te beslissen.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een aanvraag bij het college heeft ingediend. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. [eiser] heeft op 29 januari 2025 het college in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om inzage in zijn persoonsgegevens op grond van artikelen 12 en 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Het college heeft met de brief van 6 februari 2025 op de ingebrekestelling besloten en deze afgewezen omdat het zich op het standpunt stelt dat het geen aanvraag heeft ontvangen. Met het bestreden besluit van 9 april 2025 op het bezwaar van [eiser] is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. [eiser] heeft een nadere reactie ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 1] en [naam 2] .

Beoordeling door de rechtbank

3. Tussen [eiser] en het college is in geschil of het verzoek, dat volgens [eiser] als bijlage bij de e-mail van 27 december 2024 zou zijn bijgevoegd, aan het college is toegezonden. Door het college wordt betwist dat hij op 27 december 2024 de e-mail met het bijgevoegde verzoek heeft ontvangen. Het college stelt zich op het standpunt dat hij niet door [eiser] in gebreke gesteld kan worden omdat hij geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft ontvangen. Omdat [eiser] geen aanvraag heeft gedaan, is er geen beslistermijn aangevangen en kan het college niet in gebreke worden gesteld, aldus het college.
4. [eiser] stelt dat hij de e-mail met het bijgevoegde verzoek weldegelijk aan het college heeft verstuurd en dat het ook door het college moet zijn ontvangen. Ter onderbouwing wijst [eiser] op de opmaak en de tekst van de e-mail met de ingebrekestelling. [eiser] stelt dat deze e-mail een reactie (‘reply’) is op de e-mail met het verzoek. De e-mail met het verzoek staat hier ook onder, zoals gebruikelijk is bij een ‘reply’ e-mail. Nu het college erkent dat het de ingebrekestelling heeft ontvangen, moet het ook het eerdere verzoek ontvangen hebben, aldus [eiser] .
5. Het college heeft, ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij de e-mail met het bijgevoegde verzoek niet heeft ontvangen, een overzicht aan de rechtbank toegestuurd van de bij het college ingekomen e-mails op de betreffende datum. Uit dit document moet volgens het college afgeleid worden dat hij op of rond 12:23 uur geen e-mail heeft ontvangen. Het college heeft ter zitting toegelicht dat hij alleen de e-mail met de ingebrekestelling heeft ontvangen en dat uit de weergave van dat bericht niet met zekerheid aangenomen kan worden dat de eerdere e-mail met het verzoek is verzonden. Zo zijn er verschillen in de opmaak van de e-mails en kunnen de verzendgegevens van de e-mail met het verzoek handmatig in de e-mail met de ingebrekestelling zijn getypt. Ter zitting heeft het college aangegeven dat uit de e-mail met de ingebrekestelling ook niet kan worden afgeleid dat aan de e-mail met het verzoek daadwerkelijk een bijlage met het verzoek is bijgevoegd, omdat er geen bijlage vermeld wordt. Verder heeft het college toegelicht dat vanuit het algemene e-mailadres van de gemeente – het betreffende e-mailadres waarnaar [eiser] stelt zijn verzoek te hebben verstuurd – een automatische ontvangstbevestiging wordt verzonden indien een e-mail daarop wordt ontvangen.
6. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat het verzoek op grond van de AVG door middel van een e-mail bij het college kon worden ingediend.
7. Volgens artikel 2:17, tweede lid, van de Awb – zoals de wet gold ten tijde van de e-mail van 27 december 2024 en het bestreden besluit – is het tijdstip waarop een elektronisch bericht door het bestuursorgaan is ontvangen het tijdstip waarop het bericht zijn systeem voor gegevensverwerking heeft bereikt. Het risico dat het bericht het bestuursorgaan niet bereikt, rust op de verzender van het bericht. Het college heeft in dit geval gesteld dat hij het verzoek niet heeft ontvangen. Het is dan aan [eiser] om aannemelijk te maken dat er wel een tijdige en correcte verzending heeft plaatsgevonden. Hij zal dan met een ontvangst- of leesbevestiging aannemelijk moeten maken dat het verzoek is ontvangen.
8. De rechtbank stelt vast dat [eiser] bij zijn beroep alleen de e-mail met de ingebrekestelling heeft overgelegd. Eerst op zitting heeft de gemachtigde van [eiser] een kopie getoond van de door hem gestelde originele e-mail van het verzoek. Het college heeft op de zitting bezwaar gemaakt tegen het toelaten van dit stuk tot het procesdossier omdat hij niet ter zitting de getrouwheid van het document kan contoleren en vaststellen. De rechtbank overweegt dat in dit geval het indienen van dit stuk inderdaad in strijd is met de goede procesorde. [1] Omdat dit stuk niet tijdig is ingediend [2] is het college niet in de gelegenheid geweest om tijdig en adequaat op dit stuk te kunnen reageren. Dat de gemachtigde het originele stuk zelf pas in de week voorafgaand aan de zitting van [eiser] heeft ontvangen, komt voor rekening en risico van [eiser] .
Een ontvangst- of leesbevestiging van de e-mail met het verzoek is niet ingebracht. Ter zitting heeft de gemachtigde van [eiser] aangegeven dat [eiser] geen ontvangstbevestiging van het college heeft ontvangen. Dat is bevreemdend indien het college, zoals hij stelt, met een geautomatiseerd systeem werkt.
Ook andere gegevens waaruit zou kunnen volgen dat de e-mail met het verzoek aan het college is gezonden en door het college is ontvangen, heeft [eiser] niet aangeleverd.
De verwijzing naar een eerder verzonden e-mail onderaan de e-mail met de ingebrekestelling acht de rechtbank onvoldoende om aan te tonen dat [eiser] dat eerdere bericht zou hebben verzonden, omdat dit inderdaad handmatig kan zijn toegevoegd en er te veel indicaties zijn dat het eerdere bericht niet verzonden is.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat [eiser] er niet in is geslaagd om aannemelijk te maken dat hij het verzoek bij het college heeft ingediend. Omdat er geen aanvraag is gedaan, gold voor het college geen wettelijke beslistermijn om daarop te beslissen. De beroepsgrond slaagt niet.
9. [eiser] stelt dat artikel 4:5 van Pro de Awb is geschonden omdat het college hem in de gelegenheid had moeten stellen om zijn verzoek aan te vullen.
10. Uit artikel 4:5, aanhef en eerste lid, van de Awb volgt – voor zover hier van belang – dat een bestuursorgaan kan besluiten een aanvraag niet te behandelen als de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.
11. Omdat de rechtbank van oordeel is dat [eiser] geen aanvraag heeft ingediend, was het college ook niet gehouden om hem in de gelegenheid te stellen om de aanvraag aan te vullen. Artikel 4:5 Awb Pro is kortweg niet van toepassing.
12. [eiser] stelt dat het college hem onterecht niet in bezwaar heeft gehoord. Volgens hem was het op grond van zijn bezwaarschrift duidelijk dat een geschil is ontstaan over de feitelijke gang van zaken. Het college had hem daarom op een zitting moeten horen.
13. Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan van het horen van de belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Zoals uit vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt, betekent dit dat van het horen mag worden afgezien indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. [3] De beslissing om artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb toe te passen dient te worden genomen op grond van hetgeen in het bezwaarschrift is aangevoerd. [4]
14. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college terecht heeft aangenomen dat hij geen aanvraag van [eiser] heeft ontvangen. Dat maakt dat het college de ingebrekestelling zonder twijfel kon afwijzen, zodat het college ervan mocht afzien om [eiser] te horen omdat zijn bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat [eiser] in zijn bezwaarschrift expliciet heeft gevraagd om te worden gehoord, doet aan dit oordeel niet af. De beroepsgrond slaagt niet.
Gevolg
15. Omdat het college geen verzoek van [eiser] heeft ontvangen, was het college niet gehouden om een beslissing op dit verzoek te nemen. Zoals het college in het bestreden besluit heeft opgemerkt, kon [eiser] alsnog een verzoek bij het college indienen als hij inzage in zijn persoonsgegevens wilde. Het is de rechtbank duidelijk geworden dat [eiser] dit niet heeft gedaan. Omdat het college geen aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb heeft ontvangen, is artikel 4:17 van Pro de Awb niet van toepassing. Dit bekent dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij geen dwangsom verbeurt aan [eiser] . Nu het beroep van [eiser] ongegrond is, ziet de rechtbank geen aanleiding om nog in te gaan op het verweer van het college dat sprake is van misbruik van procesrecht aan de kant van [eiser] door een ingebrekestelling te versturen zonder een verzoek te hebben ingediend.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de [eiser] geen gelijk krijgt. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.J. van Heijningen, griffier, en uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0693.
2.Artikel 8:58, eerste lid, van de Awb.
3.Zie de Afdeling van 10 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:282 en de Afdeling van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1290.
4.De Afdeling van 25 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1365.