ECLI:NL:RVS:2016:3089
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering kwijtschelding restschuld na verkoop woning met NHG
Appellant kocht in 2009 een woning en sloot een hypothecaire geldlening met Nationale Hypotheekgarantie (NHG). Na vertrek uit de woning verhuurde hij deze zonder toestemming van de geldverstrekker. De huurder stopte met betalen, waardoor de restschuld opliep. De stichting betaalde de restschuld aan de geldverstrekker en trad in diens rechten.
De stichting weigerde kwijtschelding van de restschuld omdat appellant niet volledig had meegewerkt om het verlies te beperken, onder meer door de woning zonder toestemming te verhuren, wat de opbrengst bij verkoop verlaagde en extra kosten veroorzaakte. De rechtbank oordeelde dat de weigering terecht was en het hoger beroep van appellant werd ongegrond verklaard.
Appellant stelde dat hij door verhuur zijn inspanningsverplichting had nagekomen en dat slechts de hypotheekrenteschuld over de verhuurperiode voor zijn rekening moest komen. De Raad van State stelde echter vast dat de verhuur in strijd was met de voorwaarden en dat de nadelige gevolgen binnen de risicosfeer van appellant vielen. Het algemeen belang van de stichting om financiële uitputting te voorkomen woog zwaarder dan het belang van appellant.
De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van kwijtschelding van de restschuld na verkoop van de woning.