ECLI:NL:RVS:2016:3102
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- J.J. van Eck
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen ondanks betwisting verwijtbaarheid
De minister legde appellant een boete van €6.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat een vreemdeling zonder geldige tewerkstellingsvergunning werkzaamheden verrichtte. De rechtbank Oost-Brabant matigde de boete tot €4.000 en vernietigde het eerdere besluit. Appellant stelde dat hij niet wist van de intrekking van het verblijfsrecht van de vreemdeling en dat hem geen verwijt treft.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat het de eigen verantwoordelijkheid van de werkgever is om te controleren of de vreemdeling rechtmatig is tewerkgesteld. Appellant had niet voldoende inspanningen verricht om te controleren of het verblijfsdocument geldig bleef na mei 2013. De situatie waarin het verblijfsrecht werd ingetrokken zonder dat de werkgever hiervan op de hoogte was, leidt alleen tot volledige afwezigheid van verwijtbaarheid indien de werkgever het verblijfsdocument daadwerkelijk had gecontroleerd en daarop vertrouwde.
Omdat appellant niet had gecontroleerd of de vreemdeling na het verlopen van het eerste verblijfsdocument nog rechtmatig verbleef, kon hij zich niet beroepen op het ontbreken van verwijtbaarheid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; boete van €4.000 bevestigd wegens onvoldoende inspanning werkgever om verblijfsrecht te controleren.