ECLI:NL:RVS:2016:3127
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot vergoeding extra uren rechtsbijstand in strafzaak
De appellant, een advocaat, verzocht de raad voor rechtsbijstand om vergoeding van extra uren rechtsbijstand in een bewerkelijke strafzaak. De raad keurde een deel van de extra uren goed met ingang van 25 september 2014, maar wees het verzoek om de ingangsdatum te vervroegen naar 20 september 2014 af omdat het verzoek te laat was ingediend.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank Amsterdam bevoegd was en bevestigde dat het beleid van de raad voorziet in een voorafgaande beoordeling van extra uren, tenzij sprake is van een uitzonderingssituatie waarin de late indiening verschoonbaar is.
Appellant voerde aan dat hij vanwege de intensieve werkzaamheden rond de overschrijding van de toegekende uren niet tijdig kon aanvragen. De Afdeling stelde vast dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in de gelegenheid was de aanvraag tijdig in te dienen. Zijn verklaring dat hij niet had gerealiseerd dat hij de uren overschreed, was onvoldoende. Het besluit op bezwaar was voldoende gemotiveerd en niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot vergoeding van extra uren rechtsbijstand wordt bevestigd.