ECLI:NL:RVS:2016:3284
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State bij hoger beroep tegen afwijzing visumaanvraag kort verblijf
De zaak betreft het hoger beroep van twee vreemdelingen tegen de afwijzing van hun aanvragen voor een visum voor kort verblijf door de minister van Buitenlandse Zaken. De vreemdelingen, allen van Ghanese nationaliteit, beogen verblijf bij hun vader die als niet-geregistreerde partner van een Britse burger in Nederland verblijft.
De minister wees de visumaanvragen op 12 mei 2015 af en verklaarde het bezwaar op 24 november 2015 ongegrond. De rechtbank bevestigde deze afwijzing op 30 maart 2016. De vreemdelingen stelden hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overweegt dat op grond van artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 geen hoger beroep openstaat tegen uitspraken van de rechtbank over visums voor een verblijf van 90 dagen of minder. Dit leidt tot onbevoegdheid van de Raad van State om het hoger beroep te behandelen, ondanks een onjuiste vermelding van de rechtbank dat hoger beroep mogelijk is.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich daarom onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wijst een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de afwijzing van het visum voor kort verblijf.