ECLI:NL:RVS:2011:BT1936
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatig verblijf niet-geregistreerde ongehuwde partner van Nederlandse burger in vreemdelingenrecht
De vreemdeling, niet als zodanig geregistreerde ongehuwde partner van een Nederlandse burger, verbleef met zijn partner in Duitsland en keerde daarna met haar naar Nederland terug. Hij werd in vreemdelingenbewaring gesteld wegens vermoedens van uitzettingsontduiking. De centrale vraag was of hij rechtmatig verblijf had op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en de Europese richtlijn 2004/38/EG.
De rechtbank oordeelde dat de richtlijn slechts beperkte toepassing had en dat de vreemdeling zich niet aan de meldingsplicht had gehouden, waardoor rechtmatig verblijf ontbrak. De vreemdeling stelde dat hij op grond van een duurzame relatie rechtmatig verblijf had en dat de meldingsplicht niet van toepassing was. De Raad van State overwoog dat de richtlijn en de nationale regeling Hoofdstuk 8, Afdeling 2, paragraaf 2 van het Vreemdelingenbesluit 2000 naar analogie kunnen worden toegepast, maar dat de vreemdeling niet als gemeenschapsonderdaan met verblijfsrecht kan worden aangemerkt omdat de grondslag voor verblijf in nationaal recht ligt.
De Raad van State bevestigde dat de meldingsplicht binnen de nationale regeling een uitzondering vormt op de algemene verplichting en dat de vreemdeling zich niet binnen drie dagen hoefde te melden. Omdat het paspoort pas na de bewaring als geldig werd erkend, was er gedurende de bewaring geen rechtmatig verblijf. De rechtbank had daarom terecht de bewaring gehandhaafd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de bewaring is terecht gehandhaafd.