ECLI:NL:RVS:2016:378
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging boete wegens vermeende overtreding medewerkingsplicht arbeidsinspectie
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde op 7 augustus 2014 een boete van €12.000,- op aan [wederpartij] wegens overtreding van artikel 5:20, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 18, tweede lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De boete werd opgelegd omdat [wederpartij] niet binnen de gestelde termijn volledige medewerking zou hebben verleend aan de arbeidsinspectie bij het vaststellen van de identiteit van een arbeidskracht.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van [wederpartij] gegrond, vernietigde het bezwaarbesluit en herroept het boetebesluit. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State overwoog dat de medewerkingsplicht een inspanningsverplichting betreft en dat de bewijslast voor een overtreding bij het bestuursorgaan ligt. Uit het boeterapport bleek dat [wederpartij] in de veronderstelling verkeerde de juiste persoon te hebben geïdentificeerd en pas later besefte dat dit niet het geval was. Bovendien had [wederpartij] na het verstrijken van de termijn alsnog het juiste identiteitsbewijs overlegd.
De Raad van State bevestigde dat niet is komen vast te staan dat [wederpartij] opzettelijk niet aan haar medewerkingsplicht heeft voldaan en dat haar het voordeel van de twijfel moet worden gegund. Het hoger beroep van de minister werd ongegrond verklaard. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [wederpartij] en werd het griffierecht aan de minister opgelegd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de boete ten onrechte is opgelegd en verklaart het hoger beroep van de minister ongegrond.