ECLI:NL:RVS:2016:431
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar Irak
De vreemdeling was op 16 december 2015 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat er zicht was op uitzetting naar Irak, ondanks het feit dat gedwongen uitzetting naar Irak niet mogelijk is vanwege onveiligheid en het ontbreken van medewerking van de Iraakse autoriteiten. De Afdeling benadrukte dat bewaring gericht moet zijn op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat het ontbreken van dwang betekent dat het zicht op uitzetting ontbreekt.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vreemdelingenbewaring opgeheven. Tevens werd aan de vreemdeling een vergoeding toegekend voor de periode van bewaring en werden proceskosten aan de vreemdeling toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de vreemdelingenbewaring opgeheven en een vergoeding toegekend.