ECLI:NL:RVS:2016:556
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Huurtoeslag 2011 definitief vastgesteld na bewijs zelfstandige woningen en onjuiste BRP-inschrijving verhuurder
Appellante huurde vanaf september 2011 een woning aan een adres waar ook de verhuurder en een medebewoner stonden ingeschreven in de BRP. De Belastingdienst/Toeslagen stelde de huurtoeslag definitief op nihil vast omdat zij aannam dat er sprake was van één zelfstandige woning en dat de verhuurder en medebewoner als medebewoners moesten worden aangemerkt.
De rechtbank oordeelde dat appellante onvoldoende bewijs had geleverd voor het bestaan van meerdere zelfstandige woningen op het adres en dat de BRP-inschrijving van de verhuurder correct was. Appellante stelde in hoger beroep dat de verhuurder feitelijk elders woonde en dat er twee zelfstandige woningen waren, hetgeen zij onderbouwde met huurovereenkomsten, foto's en verklaringen van medebewoner en buren.
De Afdeling bestuursrechtspraak concludeerde dat appellante voldoende bewijs had geleverd voor het bestaan van twee zelfstandige woningen met eigen toegangen en voorzieningen, en dat de verhuurder feitelijk niet meer op het adres woonde, ondanks de BRP-inschrijving. De Belastingdienst had de verhuurder en medebewoner ten onrechte als medebewoners aangemerkt, waardoor hun inkomen ten onrechte werd meegerekend.
De uitspraak van de rechtbank en het besluit van de Belastingdienst werden vernietigd, het beroep van appellante werd gegrond verklaard, en de huurtoeslag definitief vastgesteld op het voorschotbedrag van €1.177,00. Tevens werd de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De huurtoeslag van appellante over 2011 wordt definitief vastgesteld op €1.177,00 en het besluit van de Belastingdienst wordt vernietigd.