ECLI:NL:RVS:2016:597
Raad van State
- Hoger beroep
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing kinderopvangtoeslag wegens niet-aantonen daadwerkelijke kosten
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, die het beroep tegen het besluit van de Belastingdienst/Toeslagen tot vaststelling van het voorschot kinderopvangtoeslag op nihil voor het jaar 2010 ongegrond verklaarde.
Appellante ontving in 2010 kinderopvangtoeslag voor opvang van haar twee kinderen door een gastouder via een gastouderbureau. De totale kosten bedroegen circa €22.923, waarvan €21.987 aan de gastouder. Appellante stelde dat zij de kosten daadwerkelijk had betaald, maar kon dit niet aannemelijk maken. De rechtbank oordeelde dat doel en strekking van de Wet kinderopvang vereisen dat de vraagouder de kosten daadwerkelijk draagt.
De Raad van State bevestigt de vaste jurisprudentie dat aanspraak op kinderopvangtoeslag alleen bestaat indien de aanvrager daadwerkelijk kosten heeft gemaakt. Appellante slaagde er niet in aan te tonen dat zij de kinderopvangtoeslag heeft doorbetaald aan de gastouder of het bureau, en de betaalde bedragen waren lager dan de ontvangen toeslag. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellante geen recht heeft op kinderopvangtoeslag over 2010.