ECLI:NL:RVS:2016:871
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning
De minister legde op 6 februari 2014 een boete van €24.000,- op aan appellante wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en deze stelde daarop hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of de betrokken vreemdelingen als zelfstandigen of als werknemers werkzaam waren. Uit het boeterapport en verklaringen bleek dat de vreemdelingen onder gezag van appellante werkten, ondanks inschrijving in het handelsregister en het indienen van facturen. De Afdeling bevestigde dat de minister terecht heeft geoordeeld dat geen zelfstandigenstatus bestond.
Appellante voerde verder aan dat de boete onredelijk hoog was en dat zij de arbeidsmarktaantekeningen op verblijfsdocumenten niet begreep. De Afdeling oordeelde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij de documenten had gecontroleerd en dat er geen grond was voor matiging. Ook de financiële situatie van appellante bood geen aanleiding tot vermindering of verlenging van de betalingsregeling.
Ten slotte wees de Afdeling het beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarbij de boeteoplegging als proportioneel en rechtmatig werd beoordeeld.
Uitkomst: De boete van €24.000,- wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt bevestigd.