ECLI:NL:RVS:2016:889
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring asielzoeker en belangenafweging volgens Vreemdelingenwet 2000
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die de inbewaringstelling van een vreemdeling had opgeheven en schadevergoeding had toegekend.
De vreemdeling was op 31 juli 2015 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000, vanwege het risico dat zij zich aan toezicht zou onttrekken en het belang van het verkrijgen van noodzakelijke gegevens voor de beoordeling van haar asielaanvraag. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende een concrete belangenafweging had gemaakt in relatie tot de asielaanvraag.
De Raad van State stelt dat artikel 59b Vw 2000 een zelfstandige wettelijke grondslag biedt voor inbewaringstelling van asielzoekers en dat de belangen die tot bewaring kunnen leiden daarin zijn vervat. De belangenafweging zoals voorgeschreven in de Vreemdelingencirculaire heeft daardoor geen toegevoegde waarde meer. De maatregel van bewaring was voldoende gemotiveerd, mede gelet op de medische toestand van de vreemdeling en het ontbreken van een doeltreffend minder dwingend middel.
De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank, verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de inbewaringstelling wordt ongegrond verklaard en de bewaring blijft gehandhaafd.