ECLI:NL:RVS:2016:945
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtsgeldigheid aanvragen verblijfsvergunning en toepassing artikel 64 Vreemdelingenwet
De zaak betreft hoger beroepen van meerdere vreemdelingen en de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen uitspraken van de rechtbank Den Haag over de ontvankelijkheid van aanvragen voor verblijfsvergunningen en verzoeken om toepassing van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
De staatssecretaris stelde dat de verzoeken van vreemdelingen 2, 3-5 en 6 geen aanvragen waren omdat zij niet voldeden aan de voorafgaande kennisgevingsvereiste in het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank oordeelde echter dat deze verzoeken wel als aanvragen in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moeten worden beschouwd. De Afdeling bevestigde dit oordeel en verwierp de grieven van de staatssecretaris.
Vreemdeling 1 had een kennisgevingsformulier ingediend dat volgens de staatssecretaris geen aanvraag was. De rechtbank oordeelde dat dit formulier geen aanvraag was, maar de Afdeling stelde vast dat dit wel een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, Awb was. De Afdeling vernietigde het besluit van 9 december 2014 waarin het bezwaar van vreemdeling 1 niet-ontvankelijk werd verklaard en bepaalde dat de staatssecretaris binnen twaalf weken een besluit moet nemen op de aanvraag.
Verder werden proceskostenvergoedingen toegewezen aan de vreemdelingen en werd het griffierecht van vreemdeling 1 vergoed. De overige delen van de aangevallen uitspraak werden bevestigd.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris van 9 december 2014 wordt vernietigd en de staatssecretaris wordt opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van vreemdeling 1.