ECLI:NL:RVS:2017:1111
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.B.M. Hent
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt vergoeding wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting
De vreemdeling werd op 7 maart 2017 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de voortvarendheid waarmee de staatssecretaris de uitzetting voorbereidde. De vreemdeling beschikte over een geldig paspoort en stelde dat het vertrekgesprek pas tien dagen na inbewaringstelling plaatsvond, waardoor de voorbereiding niet tijdig was gestart.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris inderdaad onvoldoende voortvarendheid heeft betracht door pas op de tiende dag een vertrekgesprek te voeren, zonder dat bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigden. Het hoger beroep werd daarom gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en aan de vreemdeling een vergoeding toegekend over de periode van 7 tot 24 maart 2017. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de vreemdeling krijgt een vergoeding wegens onvoldoende voortvarendheid bij de uitzetting.