ECLI:NL:RVS:2020:2948
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- D.A. Verburg
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak over onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting vreemdeling
De vreemdeling, van Amerikaanse nationaliteit, vroeg asiel aan bij de buitengrens in Eindhoven op 19 september 2020. Na afwijzing van het asielverzoek op 5 oktober 2020 werd een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en uiteindelijk op 17 november 2020 opgeheven na uitzetting. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregelen ongegrond.
In hoger beroep klaagde de vreemdeling dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend had gehandeld bij zijn uitzetting, omdat de eerste daadwerkelijke uitzettingshandeling pas negen dagen na inbewaringstelling plaatsvond. De staatssecretaris voerde aan dat door coronamaatregelen en de noodzaak van escorts vertraging ontstond, maar kon dit niet met bewijs onderbouwen.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris voldoende voortvarend had gehandeld. De staatssecretaris had niet aannemelijk gemaakt dat er bijzondere omstandigheden waren die de vertraging rechtvaardigden. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep gegrond verklaard en aan de vreemdeling een schadevergoeding toegekend. De staatssecretaris werd tevens veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de vreemdeling krijgt een schadevergoeding wegens onvoldoende voortvarendheid bij uitzetting.