ECLI:NL:RVS:2017:1166
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.B.M. Hent
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens onjuiste gegevens in eerdere procedure
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees een aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 3.77, zevende lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Dit omdat de vreemdeling in een eerdere procedure onjuiste gegevens had verstrekt, namelijk een werkgeversverklaring over een gefingeerd dienstverband.
De vreemdeling maakte bezwaar tegen deze afwijzing, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de wettelijke grondslag voor afwijzing wegens onjuiste gegevens in eerdere procedures, zoals neergelegd in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder i, van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 3.77, zevende lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, onverbindend is wegens strijd met Europese regelgeving (richtlijn 2003/86/EG). Hierdoor faalden de grieven van de staatssecretaris en werd het hoger beroep ongegrond verklaard.
De Afdeling bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling. Tevens werd een griffierecht opgelegd aan de staatssecretaris.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.