ECLI:NL:RVS:2017:1109
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.B.M. Hent
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onjuiste implementatie gezinsherenigingsrichtlijn
De vreemdelingen, een vrouw en haar minderjarige kind met de Marokkaanse nationaliteit, vroegen om een machtiging tot voorlopig verblijf bij hun echtgenoot respectievelijk vader. De staatssecretaris wees deze aanvraag af op grond van artikel 16, eerste lid, onder i, van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 3.77, zevende lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, omdat vreemdeling 1 in een eerdere procedure onjuiste gegevens had verstrekt, wat leidde tot intrekking van eerdere verblijfsvergunningen en een vereiste wachttijd van vijf jaar buiten Nederland.
De vreemdelingen stelden dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat deze bepalingen niet in strijd waren met de Gezinsherenigingsrichtlijn. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat artikel 16, eerste lid, onder i, van de Vw 2000 en artikel 3.77, zevende lid, van het Vb 2000 onjuist zijn geïmplementeerd omdat zij een nieuwe aanvraag kunnen afwijzen terwijl de vreemdeling nu correcte gegevens verstrekt en aan de voorwaarden voldoet, hetgeen niet strookt met artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, van de richtlijn.
De Afdeling oordeelde dat de lidstaten niet bevoegd zijn een nieuwe aanvraag af te wijzen op dezelfde grond als een eerdere sanctie, omdat dan de ongewenste situatie van een verblijfsrecht gebaseerd op onjuiste informatie ontbreekt. De grieven van de vreemdelingen slaagden en het hoger beroep werd gegrond verklaard. Het besluit van 6 november 2015 werd vernietigd en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd wegens strijd met de Gezinsherenigingsrichtlijn.