ECLI:NL:RVS:2017:138
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- A.W.M. Bijloos
- N.S.J. Koeman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verklaring van rijvaardigheid wegens vermoedelijke fraude bij rijexamen
Appellant behaalde zijn rijbewijs in 2012 via een rijschool die betrokken was bij een fraudezaak met een CBR-examinator die kandidaten onterecht liet slagen. Na een politieonderzoek met negen indicatoren concludeerde het CBR dat appellant vermoedelijk ten onrechte geslaagd was. Het CBR trok daarom zijn verklaring van rijvaardigheid in.
Appellant stelde dat de intrekking onrechtmatig was omdat de feiten niet met zekerheid vaststonden en de maatregel punitief van aard zou zijn, waardoor hogere bewijsstandaarden zouden gelden. De Raad van State oordeelde dat de intrekking een belastend bestuursbesluit is, maar geen strafrechtelijke sanctie en dus niet onder de waarborgen van artikel 6 EVRM Pro valt.
De Raad bevestigde dat het CBR aannemelijk mocht maken dat de verklaring ten onrechte was afgegeven op basis van de indicatoren, en dat appellant onvoldoende tegenbewijs had geleverd. Het belang van de verkeersveiligheid weegt zwaarder dan het individuele belang van appellant bij het rijbewijs, temeer daar hij opnieuw rijexamen kan doen.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 november 2015. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de verklaring van rijvaardigheid van appellant wordt bevestigd wegens aannemelijke aanwijzingen van fraude.