Conclusie
Mr. H.H.J. Knol, eveneens Advocaat-Generaal bij het Hof, heeft bij schriftuur van 2 december 2014 een middel van cassatie voorgesteld.
middelbehelst de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat art. 68 Sr Pro in de weg staat aan de strafrechtelijke vervolging van de verdachte ter zake van art. 8 WVW1994 nadat aan haar de verplichting tot deelname aan het alcoholslotprogramma (ASP) was opgelegd. Voorts heeft volgens de steller van het middel het Hof ten onrechte de oplegging van de alcoholslotmaatregel als een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 EVRM Pro aangemerkt.
4.De bestreden uitspraak
5.De feitenrechtspraak over het alcoholslot in verhouding tot het strafrecht
nietals niet rijvaardig of ongeschikt moet worden beoordeeld (art. 134 lid Pro 7 WVW94 in verbinding met art. 17 sub g Regeling Pro). Als sluitstuk wordt op grond van art. 97 RR Pro bij het uitblijven van deelname aan het ASP gedurende vijf jaar in het geheel geen verklaring van geschiktheid geregistreerd door het CBR, hetgeen de onmogelijkheid om enig rijbewijs (behoudens Am) te verkrijgen meebrengt. Dat maakt dat de regeling een hoog “Catch 22” karakter heeft: degene die wordt geverbaliseerd met een alcoholgehalte dat zich bevindt binnen de in de Regeling genoemde grenzen laadt het vermoeden op zich dat hij niet over de vereiste geschiktheid beschikt, welk vermoeden hoe dan ook verplicht tot deelname aan het ASP [51] en zonder deelname aan het ASP gedurende vijf jaar van rechtswege in de weg blijft staan aan de registratie van een verklaring van geschiktheid.
7.De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State over het alcoholslot
Werkingssfeer
1. De bepalingen van dit handvest zijn gericht tot de instellingen en organen van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel en tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan, overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden.”
Diverse bepalingen betreffende de inwisseling, intrekking, vervanging en erkenning van rijbewijzen
1. (…)
2. Onder voorbehoud van de naleving van het territorialiteitsbeginsel van de strafrechtelijke en politiële bepalingen, kan de lidstaat van gewone verblijfplaats op de houder van een door een andere lidstaat afgegeven rijbewijs zijn nationale bepalingen toepassen die betrekking hebben op de beperking, schorsing, intrekking of nietigverklaring van de rijbevoegdheid en daartoe zo nodig overgaan tot inwisseling van dat rijbewijs.”
Een lidstaat weigert de geldigheid te erkennen van een rijbewijs dat door een andere lidstaat aan een persoon is verstrekt, wanneer het rijbewijs van die persoon op het grondgebied van de eerstgenoemde staat is beperkt, geschorst of ingetrokken.
Een lidstaat kan eveneens weigeren een rijbewijs af te geven aan een aanvrager wiens rijbewijs in een andere lidstaat nietig is verklaard.”
Het verweer wordt derhalve verworpen."
Engelen
Öztürk. In die beide uitspraken, die door vele andere(n) in dezelfde lijn zijn gevolgd, heeft het EHRM de omlijning gegeven van de door het Straatsburgse Hof gehanteerde uitleg van het in art. 6 EVRM Pro centrale begrip “determination of a criminal charge”. Kort gezegd heeft het EHRM in die uitspraken daaromtrent bepaald dat niet slechts door de nationale kwalificatie vastgesteld dient te worden of sprake is van een ‘criminal charge’, maar dat dit aan de hand van zelfstandige of autonome criteria moet geschieden (Engel). Blijkt bij toepassing van dergelijke criteria dat bij het door de overheid afdoen van bepaalde feiten langs administratieve weg in wezen sprake is van de “determination of a criminal charge” dan is dat op zich geoorloofd, mits voldaan is aan de basisvereisten van art. 6 EVRM Pro, waaronder (ten minste) de mogelijkheid van een beroep op de onafhankelijke rechter (Öztürk). Het lijkt er dus op dat de Hoge Raad ten aanzien van art. 68 Sr Pro thans een materiële invulling geeft aan het vervolgingsbegrip, wat tamelijk verstrekkende gevolgen heeft voor de reikwijdte van art. 68 Sr Pro. Niet zonder reden wordt in de laatste druk van Corstens/Borgers, het Nederlands strafprocesrecht geconcludeerd dat het erop lijkt dat de Hoge Raad zijn eerdere, beperkende uitleg in dit verband lijkt te hebben verlaten. [103]
1. Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan het alcoholslotprogramma indien: (…)
g. de uitslag van het ingevolge artikel 23, eerste lid, opgelegde onderzoek geen aanleiding geeft tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, tenzij oplegging van dit onderzoek heeft plaatsgevonden op grond van artikel 23, eerste lid, onderdelen b, onder I, of c, onder I.
1. Het CBR besluit dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de wet indien:
a. bij betrokkene, al dan niet in hoedanigheid van beginnende bestuurder, een adem- of bloedalcoholgehalte is geconstateerd dat gelijk is aan of hoger is dan 785 μg/l, respectievelijk 1,8‰”.