ECLI:NL:RVS:2017:1412
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring hoger beroep tegen onrechtmatige vreemdelingrechtelijke vrijheidsontneming
Bij besluit van 3 maart 2017 werd aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Deze maatregel liep feitelijk af op 7 maart 2017 toen de vreemdeling strafrechtelijk in verzekering werd gesteld. Na afloop van deze inverzekeringstelling op 9 maart 2017 had de staatssecretaris een nieuw besluit moeten nemen om de vreemdelingrechtelijke vrijheidsontneming voort te zetten.
De rechtbank oordeelde echter dat de vrijheidsontnemende maatregel van 3 maart 2017 gedurende de strafrechtelijke inverzekeringstelling was doorlopen en dat daarom geen nieuw besluit nodig was. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat dit onjuist was en dat de staatssecretaris vanaf 9 maart 2017 zonder rechtstitel de vreemdeling vasthield.
De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel inmiddels was opgeheven, werd geen bevel tot onmiddellijke vrijlating gegeven. Wel werd aan de vreemdeling een vergoeding toegekend voor de periode van onrechtmatige vrijheidsontneming van 9 maart tot 1 april 2017.
Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, inclusief kosten van rechtsbijstand door een derde partij.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de vreemdeling krijgt een vergoeding voor onrechtmatige vrijheidsontneming.