ECLI:NL:RVS:2017:1590
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- F.C.M.A. Michiels
- B.P.M. van Ravels
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vergoeding proceskosten bij gedoogplicht op grond van de Waterwet
De zaak betreft een hoger beroep van [appellante] tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam waarin het beroep tegen het niet vergoeden van proceskosten in verband met een opgelegde gedoogplicht werd afgewezen.
[Appellante] is eigenaar van een groot perceel waarop een gedoogplicht is opgelegd vanwege werkzaamheden voor de verbreding van watergangen. Zij vorderde vergoeding van schade en kosten, waaronder proceskosten voor de procedure tegen de gedoogplicht. Het college kende een schadevergoeding en kosten deskundigenbijstand toe, maar geen proceskosten voor de procedure tegen de gedoogplicht.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht geen proceskosten vergoedde omdat de regeling in artikel 8:75 Awb Pro en het Besluit proceskosten bestuursrecht een limitatief en forfaitair stelsel kent, en omdat [appellante] in de eerdere procedure tegen de gedoogplicht in het ongelijk was gesteld. Het hoger beroep stelde dat deze kosten wel volledig vergoed moesten worden, mede vanwege toezeggingen van het college en het gelijkheidsbeginsel.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwierp deze argumenten. Zij benadrukte het exclusieve karakter van de proceskostenregeling en dat geen aanleiding bestaat voor een aanvullende vergoeding. Ook de stelling dat het college in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld werd verworpen, evenals het beroep op het EVRM. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de rechtbankuitspraak bevestigd dat geen proceskostenvergoeding wordt toegekend.