ECLI:NL:RVS:2017:1780
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen bestuursdwang en kostenoplegging voor verkeerd aanbieden huishoudelijk afval
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam heeft op 17 december 2015 spoedeisende bestuursdwang toegepast door een huisvuilzak te verwijderen die naast een ondergrondse afvalcontainer was aangetroffen. In de zak werd een brief met de adresgegevens van appellant gevonden, waardoor het college hem als overtreder van de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 aanmerkte en de kosten van bestuursdwang (€125) aan hem oplegde.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde onder meer aan dat het college de bezwaarschriftprocedure ten onrechte buiten zijn gemachtigde had voortgezet, dat hij niet correct was gehoord, en dat hij niet de overtreder was omdat de brief vermoedelijk verkeerd was bezorgd. Het college verklaarde het bezwaar ongegrond en appellant stelde beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat het college de gemachtigde niet als zodanig hoefde te erkennen omdat de machtiging niet toereikend was, maar dat dit geen invloed had op de besluitvorming. Wel werd vastgesteld dat het college in strijd met de hoorplicht artikel 7:2 Awb Pro handelde door appellant niet op juiste wijze te horen, omdat niet was aangetoond dat appellant instemde met telefonisch horen. Dit gebrek werd echter gepasseerd omdat appellant in de beroepsprocedure zijn standpunt alsnog kon toelichten zonder dat een ander besluit zou zijn genomen.
Ten aanzien van de vraag wie de overtreder was, stelde de Raad dat het college mocht aannemen dat appellant de overtreder was omdat de huisvuilzak met zijn adresgegevens was aangetroffen, en appellant had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij niet de overtreder was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Van proceskostenvergoeding was geen sprake, maar het college werd wel gelast het door appellant betaalde griffierecht van €46 te vergoeden vanwege het geconstateerde gebrek in de hoorprocedure.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het college wordt gelast het griffierecht van €46 te vergoeden.