ECLI:NL:RVS:2017:1807
Raad van State
- Hoger beroep
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over Wob-verzoek inzake verkeersboete
Appellant heeft een verzoek om informatie ingediend op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) met betrekking tot een aan hem opgelegde verkeersboete. De minister reageerde op dit verzoek, maar richtte zijn besluit aanvankelijk aan een derde, de vader van appellant. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het verzoek geen Wob-verzoek was, maar een poging om informatie te verkrijgen ter onderbouwing van het administratief beroep tegen de verkeersboete.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt anders dan de rechtbank. De Afdeling stelt vast dat het verzoek van appellant wel degelijk deels een Wob-verzoek betrof en dat het besluit van de minister van 13 mei 2015 een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was waartegen bezwaar kon worden gemaakt. De rechtbank heeft dit niet onderkend en heeft daarom ten onrechte het beroep ongegrond verklaard.
Daarnaast oordeelt de Afdeling dat appellant geen belanghebbende is bij het besluit op bezwaar van 6 augustus 2015, gericht aan zijn vader, en dat appellant tegen dat besluit geen beroep kan instellen. Wel wordt het beroep van appellant tegen het besluit van 28 juli 2015, waarin het besluit alsnog aan appellant is bekendgemaakt, als bezwaarschrift aangemerkt. Hoewel dit bezwaar te laat is ingediend, wordt de termijnoverschrijding verschoonbaar geacht vanwege verwarring die door de minister is veroorzaakt.
De Afdeling verklaart het hoger beroep van appellant gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover het beroep van appellant ongegrond is verklaard, verklaart het beroep tegen het besluit van 6 augustus 2015 niet-ontvankelijk en gelast vergoeding van het betaalde griffierecht aan appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.